4. Onderzoek
Of en in welke mate een patiŽnt depleet is, kan pas worden geconcludeerd nadat tal van metingen is uitgevoerd. Het totale pakket aan gegevens geeft een beeld van de voedingstoestand van de patiŽnt.

Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen depletie door een gebrek aan voedingsstoffen of depletie door inflammatie (gestresst metabolisme). Dit onderscheid is van invloed op de behandelwijze.
 
De aard en mate van depletie wordt vastgesteld op basis van de volgende parameters.
4.a. Intake en verliezen

Het in kaart brengen van intake en verliezen hoort tot de normale voedingszorg van de diŽtist. De afdelingsdiŽtist vraagt de patiŽnt naar huidig en gebruikelijk eetpatroon, zodat veranderingen in de voedselinname kunnen worden opgespoord. Bij het uitvoeren van een volledig Nutritional Assessment wordt de voeding berekend en vergeleken met de gemeten energiebehoefte en andere voedingsbehoeften. 

4.b. Lichaamssamenstelling

Omdat er geen gouden standaard bestaat voor het meten van de lichaamssamenstelling buiten de karkasanalyse, is het goed om deze op verschillende manieren te bepalen. In het azM worden de volgende methoden gebruikt

4.c. Energiegebruik

Met energiegebruik bedoelen we de hoeveelheid energie in Kcal (of Mjoules) die iemand per 24 uur nodig heeft.
4.d. Bloedparameters

Van belang bij het onderzoeken van de voedingstoestand zijn de volgende waarden: albumine, prealbumine, CRP, transferrine, hemoglobine, ureum en kreatine, lymfocyten en puntdeficienties.
4.e. Functionele parameters

De functionele parameters die binnen het azM worden gebruikt zijn de handgripdynamometrie en de monddrukmeting. Functionele capaciteit kan worden gemeten met de Karnofski index of activity score.